Energie opslaan in waterstof
Bedrijven die elektriciteit nodig hebben moeten een andere oplossing vinden. Volgens het Nationaal Plan Energiesysteem [1] is groene waterstof daarvoor de oplossing. Het idee is dat er zoveel groene stroom geproduceerd wordt dat er overschotten van energie ontstaan. Die energie wordt gebruikt om waterstof te produceren. Waterstof wordt gemaakt uit water; als je waterstof verbrandt, wordt het weer water. Het is dus schone energie. Waterstof is een gas dat voor lange tijd kan worden opgeslagen, bijvoorbeeld in lege gasvelden.
Het nadeel van waterstof is dat het heel duur is [2]. Er gaat veel energie verloren bij het maken én opslaan van waterstof en de kosten van de fabrieken en opslagplaatsen zijn heel hoog. Hierdoor zal elektriciteit die uit waterstof gemaakt wordt, om te gebruiken op tijdstippen dat er te weinig zonne- en windenergie is, ook duur zijn. Dit betekent dat bedrijven (en burgers) geld zullen kunnen besparen door op die momenten minder energie te gebruiken.
Verschillende soorten bedrijven
De mogelijkheden om te verduurzamen hangen af van het soort bedrijf. Een groot deel van de Nederlandse energie wordt gebruikt door een klein aantal bedrijven. Die produceren bijvoorbeeld brandstoffen, kunstmest, staal, zink, chloor en voedsel. Vooral als voedsel gedroogd wordt, bijvoorbeeld voor de productie van suiker of melkproducten, is veel energie nodig. Voor deze bedrijven is de prijs van energie een groot deel van hun kostprijs. Sommige zijn naar Nederland gekomen toen aardgas hier goedkoop was, maar dat is nu niet meer zo.
Figuur 1 laat zien dat de industrie in Nederland bijna de helft van alle energie verbruikt. De rechterkant van deze figuur geeft aan hoe die energie wordt gebruikt: als warmte, als elektriciteit, in de vorm van mobiliteit (auto’s, schepen, vliegtuigen, treinen). 21% van alle energie wordt gebruikt voor het maken van kunststoffen.

Figuur 1: Links staat het energieverbruik per sector van de economie. Rechts staat hoe de energie verbruikt wordt. De 21% ‘Grondstoffen’ is aardolie die gebruikt wordt om kunststoffen te maken. De eenheid van energie is ‘petajoule’ (PJ). 1 PJ is 278 miljoen kWh. Bron: EBN, Infographic 2024 [3].
Voor de oliebedrijven ís energie het product: zij verkopen brandstoffen voor het wegverkeer, de luchtvaart en de scheepvaart. Het wegverkeer kan verduurzamen door elektrisch te rijden, maar de lucht- en scheepvaart hebben brandstoffen nodig. Voor de scheepvaart zou dat waterstof kunnen zijn. De luchtvaart heeft vloeibare brandstoffen nodig, bijvoorbeeld op basis van biomassa. De oliebedrijven zouden dit kunnen gaan maken uit landbouwafval of van speciaal hiervoor geteelde gewassen.
Een bijzonder geval is de petrochemie: dat zijn grote bedrijven die plastics en andere kunststoffen maken uit aardolie. Deze producten kunnen in principe ook uit biomassa gemaakt worden, maar dat is vooralsnog duurder en het is ook niet ruim beschikbaar.
De andere energie-intensieve bedrijven kunnen in principe vergroenen door over te schakelen op duurzame elektriciteit, groene waterstof (wat uit elektriciteit gemaakt wordt), biomassa en/of aardwarmte.
De rest van alle bedrijven in Nederland gebruikt relatief weinig energie. Voor de meeste van deze bedrijven zijn de kosten van energie maar een klein deel van hun totale kosten. Daardoor kunnen ze over het algemeen makkelijker duurzame energie betalen.
Problemen en oplossingen
Het verduurzamen van de industrie betekent dat fabrieken die nu aardgas, olie of kolen gebruiken, omgebouwd worden zodat ze duurzame elektriciteit of aardwarmte kunnen gebruiken. In Figuur 1 is te zien dat elektriciteit nu nog maar een klein deel van het totale energieverbruik is. Verduurzaming betekent daarom dat het verbruik van elektriciteit veel hoger gaat worden, misschien wel drie keer zo hoog als nu. Waar Nederland nu tegen aanloopt is dat de elektriciteitsnetten hier niet op berekend zijn. Er moet dus niet alleen heel veel meer elektriciteit geproduceerd gaan worden, de elektriciteitsnetten moeten ook verzwaard worden. Dit kost veel geld en duurt zeker een decennium.
Een makkelijke oplossing voor het gebrek aan netwerkcapaciteit is er niet. Wel kan het bestaande netwerk efficiënter benut worden, wat voor sommige bedrijven een voorlopige oplossing kan zijn. Als de kosten van de netwerkuitbreiding in rekening worden gebracht van de elektriciteitsverbruikers zou de prijs van elektriciteit zo hoog kunnen worden dat een deel van de bedrijven dat niet kan betalen en zou sluiten. Een oplossing kan zijn dat de overheid een deel van de uitbreidingskosten betaalt. Dan betaalt de burger meer, in de vorm van belasting, en betalen de bedrijven minder.
Een ander obstakel voor de energie-intensieve industrie is dat de energieprijzen in Europa hoger zijn dan elders. Een belangrijke oorzaak is dat Europa zelf weinig fossiele energie produceert. Door meer duurzame energie te produceren wordt Europa minder afhankelijk van import van energie, maar voorlopig is ‘eigen’ duurzame energie ook duurder dan de prijs van energie buiten Europa. Een oplossing is de invoering van de CBAM, het carbon border adjustment mechanism [4]. Dit heft belasting op de CO2-emissies van importen in de Europese Unie, waarmee het kostennadeel van schone energie in Europa verminderd wordt. Een andere oplossing is dat de overheid eist dat een deel van de energieconsumptie, voor de productie van bijvoorbeeld vliegtuigbrandstoffen, plastics en staal, groen is. Door dit aandeel geleidelijk te laten oplopen ontstaat een groeiende markt voor duurzame energie.